Bij alle wedstrijden dient de voorjager er in de eerste plaats naar te streven om op een zo fraai en weidelijk mogelijke wijze uitvoering te geven aan de opdrachten. Het doel van de wedstrijden ligt primair in het testen van de bruikbaarheid van een hond voor het werk na het schot.
Tijdens deze dagen worden een aantal vast omschreven proeven afgelegd in de
categorieën C, B en/of A. Bij voldoende prestatie wordt het C-, B- of A-diploma
verkregen.
Bij de vijf C-proeven (A t/m E) ligt de nadruk op appèl en eenvoudig
apporteerwerk met uitsluitend standaard dummy's.
Bij de drie B-proeven (F, G en H) ligt de nadruk op moeilijker apporteerwerk met
standaard dummy's. Indien de hond de C- en B-proeven
voldoende heeft afgelegd en het gemiddelde cijfer voor de apporteeronderdelen
tenminste een zeven bedraagt, dan mag deze meedoen aan de twee A-proeven.
Het deelnemen aan een Clubdiplomadag dient om te meten welk trainingsniveau de
combinatie van baas en hond heeft bereikt.
Een Workingtest wordt gehouden op het niveau van C, B1, B2 en A. Elke hond legt een vijftal tests af die bestaan uit nagebootste situaties op jacht. Op een Workingtest wordt niet alleen de mate van getraindheid gemeten, maar ook de inventiviteit en weidelijkheid van voorjager en hond, hoe zij onvoorziene situaties in het veld oplossen. De voorjager laat zien hoe efficiënt, rustig en weidelijk hij/zij de hond kan voorjagen.
De KNJV-proef en MAP (Meervoudige Apporteer Proef) worden uitgezet en gekeurd volgens het ORWEJA-reglement Jachthondenproeven. Ze zijn qua opzet te vergelijken met de Clubdiplomadag respectievelijk de Workingtesten maar in plaats van dummy's wordt er gebruik gemaakt van koud wild.